Nadat in 2012 door de toenmalige président Hollande een speciale 3% surtax over dividenduitkeringen door in Frankrijk gevestigde dochterondernemingen werd ingevoerd, werden ook in de EU gevestigde moedervennootschappen direct geraakt door deze bronheffing op het niveau van hun Franse dochterondernemingen. Vrijwel vanaf het begin was overduidelijk dat de vraag zich vroeg of laat ging voordoen of de Franse regeling een inbreuk vormde op de Europese Moeder-dochterrichtlijn en de vrijheid van vestiging. Eind 2016 stond de bezwaarprocedure teller al op 2.5 miljard euro. Eind 2017 waren er 6.388 bezwaarprocedures ingediend met een totaal geclaimd bedrag van een slordige 7.9 miljard euro. Op 7 september 2017 deed het Europese Hof van Justitie uitspraak in de zaak Eqiom en Enka en bepaalde dat de Franse regeling inderdaad een inbreuk vormde op de Moeder-dochterrichtlijn. Daarmee was de zoveelste tijdsbom ontploft. President Macron heeft getracht om met stille trom de 3% dividend surtax weg te poetsen, maar de Franse overheid was zich meer dan bewust dat Frankrijk tussen 2018 en 2022 ongeveer 5.7 miljard euro zou moeten gaan terugbetalen. Vervolgens besloot op 6 oktober 2017 de Franse Raad van State (zgn. Conseil Constitutionel) dat de 3% surtax niet alleen de richtlijn schond, maar ook de Franse grondwet. Daarmee werd in één keer de hele 3% dividend surtax van tafel geveegd. Dit budgettaire gat van 10 miljard euro probeert Frankrijk nu te dichten door een eenmalige verhoging in 2018 van het vennootschapsbelasting tarief op de gerealiseerde winsten van de 320 grootste ondernemingen van Frankrijk (zgn. surtaxe sur «les 320 plus grandes entreprises françaises»), maar dat is een oplap strategie die niet zonder gevaar is in een economie die toch al fragile is. Ook deze regeling ligt nu al onder vuur.